De nieuwe drager (slot)
Door tombstone nieuw sinds ongeveer 1 jaar
Hij ontdekte, dat bomen en planten tesamen één van de vier heersende machten op onze wereld uitmaken. De andere drie zijn aarde, water en lucht en deze waren de strijd met jouw ras aangegaan, teneinde een halt toe te roepen aan de vernielingen, die jullie bezig waren aan te richten.
De Boom, zoals de voormalige mens Aggarsson nu door de andere machten werd gezien, wierp zich instinctief op als voorvechter van de mensheid en schiep met zijn nieuwe macht wezens, die hem in die strijd konden helpen. Dat was en is onder meer (naast mijn eigen volk de Drigorieus, ook wel de Drig genoemd) het ras van de wortelheksen, die je al sinds je geboorte kent als de hoeders van De Boom en van je eigen volk. Je eigen volk, dat door ons, de Drig, werd afgeschermd van de rest van de mensheid en waaruit de Dragers voortkomen, die Hem bijstaan als er weer een strijd tussen de diverse machten uitbreekt. Dit is inmiddels al zo'n honderd maal gebeurd en op dit moment kennen we helaas weer een herhaling van die cyclus.
Jouw volk draagt de oorspronkelijke genen van Aggarsson/De Boom in zich en die zijn bij iedere generatie bij één of meer nazaten het grootst. Dit is thans het geval bij jou en bij de andere twee gekozenen en één van jullie moet de nieuwe Drager worden.
Ik vraag de kleine man wat een Drager dan eigenlijk is en bij wijze van antwoord loopt hij naar zijn kar en haalt een kistje tevoorschijn, waarin twee korte ronde houten stokken liggen.
Hij gebaart mij de stokken uit de kist te pakken en op het moment dat mijn handen zich erom sluiten, lijkt het of mijn handpalmen aan de houten vastkleven. Een intense siddering stroomt uit de stokken via mijn handen door mijn lichaam en door mijn geest en ineens ben ik weer terug in de ondergrondse zaal van de wortelheksen en staar ik in de donkere poelen, die de ogen van de Opperheks zijn.
'Wat jij stokken noemt' snauwt de heks, terwijl zij mij hooghartig beschouwt, 'noemen wij palmscepters. Ze zijn geschapen door de maximale inprenting van jouw unieke handlijnen - de sleutellijnen, de grote lijnen en alle nevenlijnen - tijdens je verblijf bij ons, in een levende wortel van De Boom en geven de Drager bij gebruik de beschikking over bijna al Zijn krachtbronnen.
Ook Thaleso en Menismo hebben scepters gekregen, die met hun handlijnen corresponderen, want van jullie volk zijn bij jullie driëen de krachten van De Boom het sterkst aanwezig gebleken.
Toch kan er slechts één de nieuwe Drager worden, omdat anders de macht van De Boom te zeer versnipperd zou worden en wij door de andere machten zouden kunnen worden verslagen.
Daarom moet nu worden vastgesteld wie wordt uitverkoren en daartoe zal er een krachtmeting tussen jullie drieëen plaatsvinden………en wel op leven en dood!'
(Einde van de eerste episode)
De nieuwe drager (III)
Door tombstone nieuw sinds ongeveer 1 jaar
Ioan Aggarsson, zo heette deze grote man, wist werkelijk alles van bomen af, of hij dacht het te weten.
Een baanbrekende uitvinding van een briljante collega, de eminente geleerde Burgus Wilken, die ontdekte, dat er bepaalde electrische stromingen, trillingen en pulsaties in de atmosfeer voorkomen, waardoor planten met elkaar lijken te communiceren, bracht zijn onderzoek in een stroomversnelling terecht. Wilken wist namelijk apparaten te ontwikkelen, die deze stromingen konden opvangen en konden duiden en toen Aggarsson hiervan kennis nam en een grondige studie van de voorlopige resultaten had gemaakt, kwam hij tot een dramatisch besluit: hij besloot zélf een boom te worden!
(Op dit moment in het verhaal, dat Drygorieus mij vertelt, kan ik het niet helpen, dat ik hem een ongelovige blik toewerp, maar hij heft direct zijn handen in de lucht in een gebaar om mij tot geduld te manen en vervolgt zijn relaas:)
Natuurlijk vereiste de realisatie van zijn wens niet alleen een zeer verregaande specialistische kennis op chirurgisch gebied, maar ook een astronomisch bedrag aan geld. Dat laatste bleek nog het minste pro-bleem, want niet alleen beschikte Aggarsson zelf over een zeer aanzienlijk vermogen, het idee sprak mensen over de hele wereld aan en de benodigde fondsen werden vrij snel bijeengebracht.
De briljantste medische chirurgen onder zijn tijdgenoten namen daarop de enorme uitdaging aan om zijn plan tot werkelijkheid te maken en werden daarbij voortdurend gesteund en begeleid door de geleerde zélf, met zijn ongeëvenaarde kennis van bomen en alles wat daarmee te maken had.
Aggarsson had vooraf al laten vastleggen, dat zijn uiteindelijke nieuwe vorm van mens/boom geplaatst/geplant moest worden middenin het grootste tropische regenwoud dat in die dagen op aarde bestond en dat hij daarbij permanent zou worden aangesloten op de laatste, geperfectioneerde uitvoering van Burgus Wilken's apparaat. Aldus dacht hij wel in staat te zijn vanuit zijn nieuwe habitat desgewenst met zijn ex-medemensen kontakt te houden en hen op de hoogte te houden van zijn ervaringen, maar verzocht wel hem voor minstens een jaar niet te storen.
Aldus geschiedde en in de maanden daarna begon de interesse van de wereld in het grote experiment wat te tanen, mede door een grote toename van het aantal natuurrampen, die de aarde, zoals ik je al vertelde, reeds een poos teisterden. Deze rampen, die steeds gewelddadiger leken te worden, waren soms onverwacht en niet voorspeld, maar vaker toch ook het gevolg van acties en ingrepen van de mensen zelf.
Onafzienbare gebieden, voorheen weelderig begroeid, werden om geldgewin ontbost, zeëen drooggelegd om dezelfde redenen en levensgevaarlijke experimenten uitgevoerd teneinde 's mensen zucht naar kennis te bevredigen.
Ik heb je al gezegd, dat onze aarde een dwingende levenswil heeft van zichzelf en dat bewees daarop de grootste catastrophe van allemaal: de tektonische platen verschoven of braken, continenten verdwenen onder de zeespiegel en de mensheid moest zijn geboorteplaneet ontvluchten, teneinde te kunnen overleven. De wetenschappelijke vorderingen op het gebied van de ruimtevaart waren al lange tijd zodanig, dat de restanten van je voorouders in staat waren naar de sterren te ontkomen. Op aarde bleven alleen verspreid nog wat groepjes mensen achter, die óf er niet in waren geslaagd zich bij de algemene exodus aan te sluiten óf bewust hun wereld niet wilden achterlaten. Vele generaties lang huisden deze armzalige en primitieve restanten van een eens zo trots ras diep onder de inmiddels tot rust gekomen aardkorst in grotten en spelonken. Daar waren ze tot op de dag van vandaag ook nog te vinden geweest, als er op zekere dag niet iets onvoorziens was gebeurd.
(wordt vervolgd)
De nieuwe drager (II)
Door tombstone nieuw sinds ongeveer 1 jaar
Gelukkig komt de gang nu geleidelijk aan zijn eind, we lopen al een poos op een horizontale ondergrond en de muren lijken thans naar opzij uit te wijken. Van het ene op het andere moment lopen we een enorme ruimte binnen, een soort zaal waar langs de kanten lange rijen wortelheksen staan en waar ik in het midden een rond podium kan zien met daarop een aantal zetels.
De opperheks loopt rechtstreeks naar het podium toe en gebaart ons drieëen met haar staf om haar te volgen. De groep heksen, die met ons was meegelopen splitst zich nu en gaat bij hun gelijken aan de kant staan.
Als wij op aanwijzing van de Opperheks ieder in één van de zetels op het podium hebben plaatsgenomen, gaat zij zelf tot onze verbazing met gekruiste benen tegenover ons op de grond zitten en gelijktijdig - met een machtig ruisend geluid - nemen alle aanwezige heksen een zelfde positie in.
De Opperheks heft daarop langzaam haar staf en ik krijg ineens een gewaarwording alsof een grote kracht mij optilt en wegslingert in de richting van een helverlichte, ronde opening in de verte, die bij mijn snelle nadering allengs groter lijkt worden, totdat ik er doorheen barst en terechtkom in een soort woestijn van paarsgekleurd zand.
Ik kom overeind en kijk geschrokken om mij heen. Rondom mij is tot aan de verre horizon alleen de paarse zandvlakte te zien.Van de heksenzaal is niets meer te bespeuren, noch iets wat lijkt op de Boom of onze geliefde stad Haldur. Niet de vertrouwde bergen of de terrassen met hun nijvere arbeiders, geen enkel teken van leven eigenlijk.
Of toch wel……. Rechts van mij klinkt plotseling een vreemde fluittoon, die langzaam steeds harder wordt. Het geluid - net als van een harde wind die door een kloof waait - lijkt te horen bij iets dat lijkt op een voortrollende bal, maar bij nader inzicht een soort bolvormige boerenkar blijkt te zijn, voortgetrokken door een paar wezens, die lijken op een kruising tussen een gele olifant en een gigantische roze kikvors.
Op de bok van dit merkwaardige voertuig zit een soort dwerg in een uitbundig narrenkostuum, die mij grijnslachend aankijkt en - bij mij aangekomen - de teugels met een ruk strak trekt. De kikvors-olifanten komen met een laatste sprong tot stilstand en de voerman springt van zijn wagen op het zand.
'Gegroet en welkom Garuz Onde' zegt de nar met een niet onaangename kwaakstem en ik vraag mij af hoe hij weet hoe ik heet. Ikzelf heb dit heerschap in ieder geval nog nooit ontmoet, want dat zou ik me absoluut hebben herinnerd.
'Je vraagt je af hoe ik je ken' herneemt het mannetje alsof hij mijn gedachten kan lezen. 'Ga er maar van uit, dat de Opper-wortelheks en ik aloude kennissen zijn en zij mij heeft verteld van de proeve die je ondergaan hebt. Ikzelf sta - net als al mijn verwanten trouwens - bekend als Drygorieus, maar de vraag is natuurlijk of we echt bekenden van elkaar worden'. De terloopse manier waarop hij dit laatste zegt geeft me de indruk dat hij dit alleen voor zichzelf opmerkt, maar ik besluit hem daarover geen uitleg te vragen.
'Welnu dan, terzake!' zegt mijn nieuwe kennis. 'Eerst maar eens een resumé van het voorafgaande (zoals de beul tegen de op de bijl wachtende misdadiger zei).
Drie van jullie aardse dagen geleden ben je door de wortelheksen van De Boom opgeroepen om "doorzien" te worden zoals ze dat zo graag noemen. Je ouders en jij hebben je vruchteloos afgevraagd waarom jij, Menismo en Thaleso waren uitverkoren voor deze toetsing. Het antwoord daarop ligt in een ver verleden, een heel ver verleden.
De aardse mensheid in die dagen verkeerde in een situtatie, veel gelijkend op de huidige. Dat wil zeggen, dat door oorlogen (ontstaan door onverdraagzaamheid en machtswellust) en door op eigen gewin gebaseerde uitvindingen en daarmee gepaard gaande onoordeelkundige acties en toepassingen, de aarde als zodanig in een kritieke fase was komen te verkeren. Laat ik je vertellen, dat het niet veel heeft gescheeld of al het menselijk leven was toen verdwenen, want onze wereld, de aarde, kent namelijk een ongekende overlevingsdrang. Deze drang vertaalde zich in het zich voordoen van rampen van ongekende omvang. Enorme aard- en zeebevingen, tornado's en vulkaanuitbarstingen volgden elkaar in hoog tempo op en steeds meer mensen lieten daarbij het leven.
In die dagen echter had de menselijke wetenschap een tot dan toe ongekende vlucht genomen. Geleerden gingen steeds verder met hun onderzoeken en navorsingen en het was onvermijdelijk, dat zij op een gegeven moment de hun opgelegde grenzen zouden overschrijden. En dat gebeurde dan ook.
(wordt vervolgd)
De nieuwe drager
Door tombstone nieuw sinds ongeveer 1 jaar
'Garuz Onde…….ontwaak!' klinkt het nogmaals en ik sla moeizaam mijn ogen op.
Ik kan mijn hoofd niet bewegen, er zit een strakke band of zoiets om mijn voorhoofd, die geen beweging toestaat en ik merk ook, dat ik in mijn armen en handen geen gevoel heb. De rest van mijn lichaam schijnt geen beperking te zijn opgelegd, maar door de hoofdband en de gevoelloosheid van mijn armen lukt het me niet me op te richten, van wat aanvoelt als een soort stugge hangmat.
Nu word ik aan weerszijden handen gewaar, die worstelen met de riemen, die mijn armen en handen aan en om dikke wortels vastgebonden houden en er komt een herinnering naar boven aan het moment, dat de riemen werden aangebracht en alle gevoel werd afgesneden.
Langzaam wordt mijn hoofd helderder en dan het komt allemaal beetje bij beetje terug in golfjes van beelden en geuren. Geuren….. Ik adem diep in en ruik weer de vochtige aardelucht die in deze ruimte hangt, weliswaar niet zo zwaar drukkend als toen ik het bewustzijn verloor of in slaap viel of wat er ook met me is gebeurd, en ook ontbreekt er nu een element, dat ik niet goed kan beschrijven, maar wat mij - kan ik mij nog herinneren van gisteren of is het langer geleden? - toen een zekere angst heeft ingeboezemd.
De behulpzame handen hebben de riemen om mijn armen inmiddels weten te lossen en beginnen nu aan die, welke mijn blote handen intens vast om de wortels geklemd houden. Iemand anders maakt de hoofdband los en er wordt een kussen onder mijn hoofd geschoven, zodat ik meer van mijn omgeving kan zien.
Ik zie naast me twee vrouwen in groenbruine mantels met kappen op, die hun bleke gezichten half bedekken. Toch is duidelijk te zien, dat het wortelheksen zijn: ik hoef daarvoor alleen maar naar hun spierwitte handen met de griezelige, kronkelige vingers en lange zwarte nagels te kijken.
Verder in de grote ruimte waar ik lig zie ik nog twee hangmatten, elk ook voorzien van een jonge man als ik en terwijl ik kijk schopt één van hen de deken, die over hem heen ligt met een gefrustreerde ruk van zich af. Hierdoor blijkt, dat hij totaal geen kleding aanheeft. Ik was zonet van plan om mij ook van mijn deken te bevrijden, maar besluit nu toch nog maar even te wachten tot de situatie wat duidelijker wordt.
Mijn naakte lotgenoot, verre van zich bezwaard te voelen over zijn ontbloting, werpt een blik in mijn richting, kijkt betekenisvol naar de heksen naast hem en knipoogt langzaam en sensueel. Ik herken Thaleso, die net als ik door de wortelheksen was opgeroepen om "doorzien" te worden en glimlach naar hem. Thaleso is best een aardige jongen, altijd haantje de voorste in sport en spel en immer bereid voor een aardig meisje alle voorzichtigheid opzij te werpen. Die laatste eigenschap heeft hem berucht en gehaat gemaakt bij alle vaders van knappe meisjes in de verre omtrek, maar heeft hem nooit ook maar een moment kunnen afschrikken.
Verder achter Thaleso komt in de derde hangmat nog iemand traag overeind. Het blijkt Menismo te zijn, die net als Thaleso en ik door de heksen was opgehaald. Met hem heb ik nooit kunnen opschieten. Zijn kijk op de mensen om hem heen bevalt me niet, omdat die lijnrecht tegenover die van mij staat. Voor Menismo geldt alleen Menismo, het welbehagen van andere mensen is voor hem totaal onbelangrijk en hij gebruikt wanneer en waar mogelijk iedereen om er zelf beter (lees: machtiger) van te worden. Hij is behept met een superego en was de enige van ons driëen, die zijn oproep door de heksen als vanzelfsprekend had beschouwd. Daarbij gaf hij echter wel heel openlijk blijk van zijn onbegrip en ontstemming, toen duidelijk werd dat hij slechts één van de drie geroepenen was.
Menismo keurt ons beiden geen blik waardig en zodra de hem toegewezen heksen zijn riemen hebben verwijderd, stapt hij, de deken waardig om zich heen geslagen, uit zijn hangmat en begint zijn handen en polsen te wrijven.
Thaleso en ik, nu eveneens bevrijd van onze riemen, banden, touwen en windsels, laten ons eveneens op de grond zakken (ik met de deken strak om me heen)en beginnen ook de gevoelloosheid in onze ledematen te trachten weg te wrijven.
De dikke wortels waaraan wij waren vastgebonden beginnen zich op dit moment in de aarden muren terug te trekken en alle wortelheksen vallen daarop onmiddellijk op hun knieën en leggen het voorhoofd op de grond.
Achter mij hoor ik nu een aanzwellend gerucht en mij omdraaiend zie ik een stoet wortelheksen aan komen lopen, allen identiek in hun groenbruine mantels en kappen gehuld. Vooraan loopt de Opperheks, die ik herken aan haar kroon van witte wortels, doorstrengeld met groene loten, die voortdurend in beweging zijn.
Twee heksen hebben wijde broeken en jasjes in sombere kleuren bij zich, die ze nu bij ons brengen en die wij snel aantrekken, terwijl de Opperheks met verholen ongeduld wacht tot wij gereed zijn. Zij heft haar staf, zo te zien een levende wortel, want de punt lijkt de grond bij haar hautaine voortschrijden af te snuffelen en wijst naar links, waar inmiddels in de aarden ommuring een grote opening is verschenen, waar een gedempt licht zichtbaar is.
Het is duidelijk dat wij haar moeten volgen en ietwat dociel stappen Thaleso en ik naar voren en voegen ons bij de heksengroep, die onmiddellijk ruim plaats voor ons maakt. De heksen buigen allen het hoofd in onze richting en ik voel tot mijn verbazing uit de groep een haast tastbaar gevoel van met ontzag vermengde angst op ons afkomen.
Menismo, zie ik, heeft zich met zijn karakteristieke eigenwaan inmiddels tot vooraan de groep weten te werken en stapt nu, zelfverzekerd en met opgeheven hoofd naast de Opperheks voort. Deze heeft even zijdelings naar hem gekeken, maar verkiest blijkbaar aan zijn impertinentie verder geen zichtbare aandacht te schenken.
(wordt vervolgd)
Een goed geheugen
Door tombstone nieuw sinds over 2 jaren
Heel wat jaren geleden is mij iets overkomen, dat dermate grote indruk op mij heeft gemaakt, dat het mij direct weer voor de geest komt als iets wat ik zie of beleef als een soort trigger werkt om die beelden van toen weer in werking te zetten.
Een week geleden b.v. zag ik een programma, dat ging over mensen die hun moeder hadden verloren en het daar nog steeds moeilijk mee hadden.
Onmiddellijk dacht ik toen terug aan de dag, dat mijn oom mij op mijn werk opbelde. Mijn oom - een broer van mijn toen al een paar jaar tevoren overleden vader - en mijn moeder, hadden de gewoonte re-gelmatig met z'n tweetjes naar de stad te gaan om wat inkopen te doen en ergens gezellig een kop koffie te drinken. Die ochtend belde hij mij wat geagiteerd op om te zeggen dat hij weer met mijn moeder had af-gesproken, maar aanbellend bij haar huis geen gehoor had gekregen. Ook telefonisch was ze niet bereikbaar zei hij. Aangezien hij geen sleutel van haar huis had vroeg hij of ik voor de zekerheid even poolshoogte kon nemen.
Na voor de zekerheid zelf ook nog even (tevergeefs) te hebben gebeld reed ik ietwat ongerust naar mijn moeder's flatje en keek eerst met kloppend hart door de brievenbussleuf van haar voordeur. Ik kon toe di-rect al zien dat de televisie aan stond en dacht onmiddellijk: dit is foute boel!
Op alles verdacht maakte ik de deur open en zag direct bij binnenkomst aan mijn rechterkant de voeten van mijn moeder, die op haar buik op de grond bleek te liggen, half in het halletje en half in haar slaap-kamer. Ze was klaarblijkelijk naar het toilet geweest en terug op weg naar de slaapkamer voorover en languit op de grond gevallen, op de zijkant van haar gezicht. Ik weet nog dat ik haar riep toen ik naar haar toe holde, maar moest, bij haar neergeknield, helaas konstateren, dat ze niet meer in leven was.
Van het daarop volgende uur staat me nog bij, dat ik de politie en de eerste hulp heb gebeld en dat de opgeroepen arts na onderzoek konstateerde, dat een hersenbloeding de oorzaak van mijn moeder's overlijden was geweest en dat ze volgens hem op slag dood was gegaan. Verder weet ik nog, dat ik één van de meegekomen agenten om een sigaret heb gevraagd, terwijl ik al jaren van het roken af was en dat iemand van een uitvaartonderneming zich over mijn moeder's lichaam ontfermde.
Deze gebeurtenis staat in mijn geheugen gegrift natuurlijk, maar wat er later voorviel is dermate frappant, dat deze belevenis veel vaker weer bij mij opkomt dan andere, die toch ook diepe indruk hebben gemaakt.
Zo'n maand na mijn moeder's overlijden namelijk werd ik rond etenstijd gebeld. Nadat ik had opgenomen en mijn naam had gezegd, hoorde ik aan de andere kant alleen wat onbestemde geluiden, alsof het een opname van straatgeluiden was, van verre stemmen van volwassenen en van kinderen, geklop, gezoem, geboor, sleepgeluiden, suizingen als van water dat door leidingen loopt, geluiden die mij op dat moment niets zeiden. Na op mijn herhaald 'hallo, hallo' geen reactie te hebben gekregen hing ik op, maar vijf minuten later gebeurde hetzelfde en daarna nog één keer.
De volgende avond, op precies dezelfde tijd, wederom hetzelfde, maar daarna is het nooit meer voorgekomen.
Wat ik nu denk - en er is totaal geen bewijs voor, moet ik toegeven - is, dat mijn moeder helemaal niet op slag dood was, maar nog een poos in leven was en dat zij de geluiden die door de betonvloer van haar flat tot haar doordrongen toen ze daar lag, als een soort laatste afscheid aan mij heeft willen doorgeven en dat dat via de telefoon is gerealiseerd.
Wellicht zal ik ooit de waarheid kennen ……….
herinneringen (4)
Door tombstone nieuw sinds over 2 jaren
Je maakt in mijn beroep leuke dingen mee, ontroerende en lachwekkende, maar af en toe ook érgernis wekkende. Over zo'n voorval gaat het hier.
Ik maakte die dag, zacht vloekend en kleddernat geregend, de deur van mijn winkeltje open. Eens te meer was ik de avond tevoren door de weerman weer blij gestemd naar bed gestuurd. Flinke opklaringen en droog weer had dit voortreffelijke, pratende pak ons voorgespiegeld en vervolgens bleek hij het toch weer mis te hebben gehad.
Nog steeds in mineur-stemming verwelkomde ik een paar uur later mijn eerste klanten. Zij, een nadrukkelijk aanwezige mevrouw met streng toegeknoopte plastic regenkap en dito jas en hij, een bescheiden, kalende veertiger, die zich in de loop van hun aanwezigheid voortdurend op de achtergrond hield.
De beide bezoekers bleken met elkaar gehuwd te zijn en hadden recentelijk hun moeder, respectievelijk schoonmoeder verloren. Mevrouw nam tijdens het inleidende gesprek direct de leiding en stelde mij op bazige toon op de hoogte van wat haar moeder al bij leven had aangegeven omtrent haar voorkeuren. Zo moest het een eenvoudige platte zerk worden van Belgisch hardsteen, met alleen de vermelding "Familiegraf De Rijk". Aldus hoefden er in de toekomst ook geen kosten te worden gemaakt voor nodeloze naamsvermeldingen, omdat alle toekomstige begravenen toch op een of andere manier onder deze naam vielen, zo legde zij mij fijntjes en met lepe oogopslag uit.
Op dat moment ving ik in mijn ooghoek een onwillekeurige beweging op van haar man, alsof hij iets wilde opmerken. Toen wij beiden - zijn vrouw en ik - naar hem keken om te zien wat hij bedoelde te zeggen, keek hij verlegen van ons weg. Misschien wel omdat de blik van zijn vrouw een temperatuur leek te hebben van enige graden onder nul!
Na informatie bij de betreffende instantie bleek mevrouw - zoals zij mij al op zelfingenomen wijze had verteld - inderdaad de rechthebbende van de grafruimte te zijn, d.w.z. degene die als enig persoon gerechtigd was om o.a. te beslissen wat er op het graf zou worden geplaatst. Na ondertekening van mijn voorlopige orderbevestiging en het vereiste aanvraagformulier vertrokken mijn bezoekers weer, mij achterlatend met een onbestemd gevoel van onbehagen, net alsof het laatste woord nog niet was gezegd.
En inderdaad, mijn angst kwam helaas uit. Nog diezelfde namiddag werd ik gebeld door ene mevrouw S., die mij vroeg of haar zuster soms bij mij was geweest om een gedenksteen voor hun beider moeder te bestellen. Zij noemde de naam van haar zuster en - aangezien ontkennen weinig zin had - gaf ik dit feit toe. Mevrouw S. bekende daarop, dat zij al door iemand was ingelicht omtrent het bezoek en ook al wist wat er was overeengekomen. Ik dacht daarop onmiddellijk aan de man van mijn opdrachtgeefster en haar latere opmerkingen versterkten mij allen maar in die mening.
De reden, dat zij kontakt met mij had gezocht, zo legde zij mij nu uit, was dat ze enorm was geschrokken van de uiteindelijke keuze van haar zuster. 'U moet namelijk weten, mijnheer,' vertelde ze mij, 'dat mijn moeder juist altijd hield van mooie, kleurige dingen en bovendien haar hele leven erg trots is geweest op haar beide voornamen. En nu ligt ze straks onder een lelijk stuk steen en weet niemand dat mijn lieve moedertje daar begraven ligt!'. Tijdens haar verhaal was ze in luid snikken uitgebarsten en voelde ik mij van mijn kant nogal opgelaten en ook wat wrokkig t.o.v. mijn opdrachtgeefster.
Maar die dame maakte wel de dienst uit in dit geval en ik probeerde dat voorzichtig uit te leggen aan mijn gesprekspartner, die dit maar niet kon accepteren en mij verzocht toch mijn best te doen om haar zuster alsnog om te praten.
Wij hebben in dit vak echter wel een soort erecode, die bepaalt dat je klant, je opdrachtgever, "koning" is en dat diens instructies worden gerespecteerd. Het noopte mij dus ook tot het besluit om mij in deze kwestie afzijdig te houden, hoe onbevredigend die houding ook voor mij was.
Toch ben ik ongeveer een week na de plaatsing van het monument op de begraafplaats gaan kijken en zag dat iemand - ik denk toch de zuster van mijn klant - gezorgd had voor een smaakvolle en kleurrijke beplanting rondom de zerk, waardoor het geheel er, ondanks de sombere steen, bepaald vriendelijk en verzorgd uitzag!
Blauw bloed
Door tombstone populair sinds over 2 jaren
Wat is nu precies "blauw bloed"? Door wiens aderen stroomt het en wat verstrekt het zijn bezitter?
Volgens Wikipedia wordt met blauw bloed bedoeld, dat iemand van adellijke afkomst is. Deze uitdruk-king komt uit het Spaans (sangre azul), dat diegenen hadden met een blanke huid en wier aderen (vooral bij de polsen) dus goed (blauw gekleurd) te zien waren. Dat waren de dominante blanke Castilianen, in tegenstelling tot de onderworpen donkerhuidige Moren.
(N.B. In dit opzicht is het overigens wel vermakelijk om te lezen wat Egmond Codfried ons in "eenvan-daag" van 20 februari.j.l. vertelt in zijn artikel getiteld "Blauw bloed is zwart bloed".)
Welnu, laat ik u verzekeren, dat een stevige prik in de billen van een "edelman" druppels van dezelfde helrode kleur laat opwellen, als wanneer die aangename behandeling wordt uitgevoerd ten opzichte van uw of van mijn eígen edele delen!
En tóch zwelgen hele volksstammen verzaligd in verhalen en anekdotes, die de leden van deze zelfbe-noemde klasse van mensen-die-van-adel-zijn betreffen.
Ik zeg met opzet zelfbenoemd, want de oorsprong van de aanduidingen "van blauw bloed" of "van adel" etc. zijn in feite allemaal terug te brengen tot data in het verre verleden, toen toenmalige heersers hun door hen tot ridder geslagen vazallen (van oorsprong voor de krijgsdienst gekozen hebbende landlieden) ter be-loning vaak stukken land schonken. Daarbij behoorde dan ter onderscheiding van hun "minderen" een titel als ridder, heer, baron, graaf, markies, hertog, prins enz. en vanaf dat eigenste moment waren deze voor-treffelijke heren op wonderbaarlijke wijze plotsklaps in het bezit van blauw bloed en automatisch hun na-geslacht, zelfs tot op de dag van vandaag, natuurlijk ook! Een voorbeeld hiervan is o.a. het prinsdom van Monaco, met als grondlegger ene Francesco Grimaldi die zich het rijkje met geweld toeëigende en daarna in zijn ver boven ons verheven prinselijke staat werd bevestigd met zijn totale nageslacht tot op heden.
De betreffende heersers zélf waren op hun beurt vaak door hun eigen voorouders tot die verheven positie gebracht - met achteloos voorbijzien of de persoon in kwestie eigenlijk wel daarvoor de vereiste edele ei-genschappen had - voorouders die waarschijnlijk net (of in grotere mate) sterker, hardvochtiger of meedo-genlozer waren dan hun in hun nabijheid verkerende tijdgenoten en daardoor grote macht gingen uitoefe-nen.
Zorgvuldig opkweken en bijhouden van de mythe van het adeldom heeft door de eeuwen heen gezorgd voor een zeker ontzag en respect voor de adel, die door haar privileges en haar opgebouwde netwerken in de loop der eeuwen ook haar materiële bezit aanmerkelijk wist te vergroten. Er waren en zijn mensen, die als hun hoogste ideaal zagen en/of zien, dat hun familie (lees: zijzelf) b.v. door een huwelijk banden met de adel krijgt en zij zich daarop kunnen voorstaan! Hilarisch!
Ik krijg overigens wel de indruk, dat in deze tijd men zich gelukkig begint te realiseren, dat begrippen als "van adel", "van vorstelijke bloede" en meer van die leuterpraat, slechts zeer betrekkelijk zijn en dat in feite adeldom van geest er écht iets toe doet!
herinneringen (3)
Door tombstone populair sinds over 2 jaren
Mijn bezoeker die middag was een heer met kennelijke haast.
Hij duwde de voordeur met kracht open, smeet hem achter zich weer dicht en zonder naar de opgestelde gedenkstenen te kijken kwam hij direct op mij af.
Ik was op dat moment net bezig om de koffiekopjes van mijn vorige bezoekers op te ruimen en griste snel de bij die afgesloten transactie behorende papieren bij elkaar, want dat is in de loop de jaren een soort tweede natuur van mij geworden. Ik heb n.l. liever niet, dat "vreemden" inzage krijgen in de zaken van andere mensen, die mij in feite vertrouwelijke informatie hebben verstrekt.
Deze heer had daarvoor echter totaal geen belangstelling. 'Ik mot een prijsopgave van je hebben en als het effe kan vanmiddag nog, want ik mot naar de notaris!', werd mij toegevoegd als was ik een oude schoolkameraad. 'We motte wel naar de begraafplaats, want daar staat een steen die ik weer netjes wil hebbe', vervolgde hij, half van mij wegdraaiend, alsof hij verwachtte, dat ik direct met hem vertrok.
Nu vind ik het altijd leuk om op een begraafplaats rond te lopen, iets wat niet iedereen als een vrolijke tijdpassering zal zien, maar met die belangstelling ben ik nu eenmaal behept en - waar ik ook ben, in binnen- of buitenland - ik probeer toch altijd even een bezoek aan de dichtstbijzijnde begraafplaats te brengen. Ik kijk dan naar de gebezigde modellen, de aangebrachte teksten, de materiaalsoort en niet zelden kom ik dan ook nog op ideëen om in het bedrijf waar ik werk toe te passen.
Veel drang hoefde mijn bezoeker dus niet op mij uit te oefenen, want ik had verder geen afspraken en het leek aangenaam weer te zijn; dus na de noodzakelijke handelingen verricht te hebben om eventueel nog langskomende klanten naar een later tijdstip te verwijzen en het bij mij steken van mijn "gereedschap" stapte ik bij mijn bezoeker in de auto.
We bleken te moeten zijn op een begraafplaats aan de andere kant van de stad, een plek die ik altijd
wel fijn heb gevonden om te bezoeken, want ik krijg daar een gevoel van rust en - noem het maar- vrede, als ik daar het hek passeer.
Na een wandeling van zo'n tien minuten, bleef mijn klant staan voor een grafmonument, dat bij de plaatsing (ongeveer veertig jaar geleden, kon ik uit de gegraveerde overlijdensdatum van de enige vermelde naam opmaken) heel mooi moest zijn geweest. Nu zag een en ander er zeer verwaarloosd en vuil uit, de steen was daarbij sterk verweerd en de tekst voor een deel vervaagd, mos en onkruid versterkten die indruk nog en ik was benieuwd wat mijn bezoeker voor ogen had.
'Hier legge me tante en nu ook me oom' begon de heer K. (hij had mij inmiddels verteld hoe hij heette). 'En ik ga zorge, dat ze d'r weer mooi bijlegge', vervolgde hij op twistzieke toon, alsof ik net te kennen had gegeven, dat ik daar beslist niet aan wilde meewerken.
Ik haastte mij natuurlijk te zeggen, dat ik hem daar juist graag in terzijde zou willen staan, maar nu bleek waarom zijn zojuist geuite vaste voornemen eigenlijk indruiste tegen zijn principes.
'Ik zelf geloof dus helemáál niet in die poppekast' legde K. uit, 'al die graven die dan op die dag (hij bedoelde kennelijk de dag des oordeels) open gaan en al die mensen die dan weer tevoorschijn floepe. Onzin volges mij! Als je dood ben, bejje dood'. Hij maakte een hakkend gebaar en kwam toen waarschijnlijk tot de conclusie, dat ik mij wel zou afvragen, wat we dan überhaupt hier deden, want hij keek een beetje schaapachtig en schuins naar me en besloot: 'maar ze zijn altijd hartstikke goed voor me gewees, dus…….', het aan mij overlatend daaruit mijn konklusies te trekken.
Ik gaf hem daarop mijn mening over wat er mijns inziens aan het graf zou moeten gebeuren om het geheel naar zijn zin te restaureren en met welke kosten hij rekening zou moeten houden. De heer K. had met dit alles geen probleem en we spraken af dat ik hem bij terugkeer in mijn kantoor een pro forma-nota
t.b.v. de notaris zou verstrekken, hetgeen geschiedde.
Bij zijn afscheid draaide hij zich echter bij de deur ineens om en vroeg mij, me recht in de ogen kijkend: 'En hoe denk ú hier nou over, heer? ' (ineens was het u en heer). 'Ik bedoel eh…over doodgaan en zo…'.
Ik begreep dat hij doelde op zijn besliste opmerkingen bij het graf van zijn oom en tante, die misschien toch niet helemaal door vaste overtuiging waren ingegeven en - toch wat onverhoeds met deze vraag gekonfronteerd en daardoor uitkomend voor mijn persoonlijke mening, die ik meestal liever voor me houd - zei ik: 'Dat van die openklappende graven zie ik ook niet zo, maar wél ben ik van mening, dat ieder mens in het bezit is van, noem het maar een ziel, een soort bewustzijn van goed en kwaad, en dat dat, die ziel dus, niet ophoudt te bestaan als ons lichaam sterft, maar ofwel een nieuw lichaam toegewezen krijgt of in een andere dimensie terechtkomt of iets dergelijks. Ik weet het niet en volgens mij weet niemand dat, want het enige dat wij - kleine mensjes - eigenlijk zeker weten, is dat wij helemaal NIETS weten! Maar "dood is dood", dus wat ú zei meneer K., geldt volgens mij alleen voor het stoffelijk omhulsel, zoals dat zo mooi heet en zijn naar mijn overtuiging de zielen van uw oom en tante er nog altijd.
Ik smaakte daarop het intense genoegen, dat mijn klant geheel anders vertrok dan dat hij gekomen was: hij greep mijn hand, drukte die zeer stevig, zeggende: ' Nou, bedank hè!'.
herinneringen (2)
Door tombstone populair sinds over 2 jaren
Het was één van die dagen, waarop ik wel eens de indruk krijg, dat iedereen op die speciale datum heeft gewacht om onze zaak met een bezoek te vereren.
Vanaf 10 uur 's morgens tot 4 uur 's middags wisselden de bezoekers zich af. Niet allemaal direct beslissende klanten helaas, want uiteindelijk had ik maar één monumen verkocht en dat was bovendien een zeer bescheiden staande steen van even bescheiden afmeting als steensoort.
Om kwart voor vijf liep ik de achtertuin in, waar we ook een showruimte hebben ingericht met voornamelijk ruwe, natuurlijk aandoende gedenktekens.
Ik was al lang van plan om daar wat bronzen lantaarns te plaatsen, die van zonnecellen zijn voorzien, zodat ook in het donker altijd een lampje flikkert, maar het mocht niet zo zijn. De deurbel klonk en maande me weer naar binnen.
Doordat ik vanuit de zonnige tuin in de onverlichte showroom kwam zag ik in eerste instantie niet of er iemand was binnengekomen, totdat een beweging in één van de hoeken een gestalte in een - zo op het oog diepzwarte - lange jas onthulde.
Naderbijgekomen zag ik mij gekonfronteerd met een zeer deftig ogende dame, waaraan alles zwart leek - zelfs tot en met haar kapsel - met uitzondering van diverse schitterende ringen aan haar vingers.
Die zwarte indruk kwam ook door de kleur van haar ogen zag ik nu en ook door een soort diepe somberheid die haar als een tweede mantel omhulde.
De deftigheid sprak uit haar heerszuchtig gelaat (niet onknap kon ik konstateren) en haar algehele doen en laten en werd verder versterkt door haar manier van praten. Niet direct bekakt, maar wel getuigend van een zich doorgaans in kringen bewegend waar ik mij niet in beweeg, zullen we maar zeggen.
Niettemin, een rechtgeaard verkoper van grafmonumenten kan zich met iedereen verstaan, of het nu beschaafde of onbeschaafde, ontwikkelde of onontwikkelde, gelovige of ongelovige, rijke, arme, patserige of bescheiden mensen betreft. Dus werd ik de beleefde, welopgevoede, deskundige en meelevende funktionaris, van wie ik dacht dat deze dame graag in een zaak als deze verwachtte en vroeg hoe ik haar van dienst kon zijn.
'Ik ben hier voor mijn man' zei zij, om er direct daarna aan toe te voegen: 'dat wil zeggen voor mijn overleden man'. Het feit dat ze niet zei "mijn echtgenoot" nam me onmiddellijk voor haar in. Hiermee gaf ze blijk van een gevoeligheid, die niet bleek uit haar ongenaakbare voorkomen.
Uit de antwoorden op mijn vragen, bedoeld om essentiële zaken als "welke begraafplaats, familiegraf of alemeen graf, voorkeur voor steensoort, voorkeur voor model" te weten te komen destilleerde ik al gauw, dat het enige dat haar interesseerde was, dat de uiteindelijke keuze in alle opzichten perfekt moest zijn.
Een dergelijke wetenschap is voor professionals als ik doorgaans hartverwarmend zoals dat heet. Immers, de klant geeft aan dat de kosten niet doorslaggevend zijn en wij, vakmensen op ons gebied, beseffen dat wij zonder echt op kosten te moeten letten iets moois kunnen realiseren, waar we ook zélf volkomen achter kunnen staan.
Mijn cliënte in spé deed toen iets dat mij aanzette om voor haar alles uit de kast te halen. Ze keek me even aan - een beetje verlegen leek het wel - en zei: 'Ik zou het liefst willen dat er iets van een hartvorm in wordt verwerkt en dat het zo mooi mogelijk wordt, want het is voor mijn man en dan is het mooiste nog niet goed genoeg' en daarbij brak een zo mooie lach op haar gezicht door, dat de hele showroom leek op te lichten.
Ik kan redelijk goed tekenen en - gezeten aan de grote tafel in onze spreekkamer - schetste ik een hartvormige staande steen met liggende banden, een vloerplaat en een grote beplantingsruimte, want dat had mevrouw al aangegeven te willen hebben.
Aangezien ik - wat ik in mijn hoofd had - voor mijn bezoekster graag zo goed mogelijk aanschouwelijk wilde maken, was ik zo geconcentreerd bezig, dat ik tijdens het tekenen niet naar haar keek. Ineens hoorde ik een raar verstikt geluid en keek geschrokken op.
Mijn cliënte zat stijf rechtop tegenover me naar mijn tekening te kijken en twee dikke tranen rolden langs
haar neus naar beneden, zo op één van mijn fotoboeken, dat daar toevallig lag.
Dit is al een poosje geleden gebeurd, de steen is prachtig geworden en de tranenvlekken zijn niet meer zichtbaar op de kaft van mijn fotoboek.
Het beeld echter van die twee tranen op hun trage loop naar beneden, blijft voor altijd in mijn herinnering geëtst.
herinneringen
Door tombstone populair sinds over 2 jaren
Ondanks wat de weerprofessoren de vorige avond met hun sonore stemmen hadden geprofeteerd, was het vandaag helemaal geen sombere, regenachtig dag geworden. De lentezon scheen dapper en ik zag de voorbijgangers in luchtige kleding langs de ramen van de showroom passeren.
Toen ik me - na die bestudering van de buitenwereld - omdraaide om weer naar mijn kantoortje te gaan en door te gaan met mijn administratie, klingelde de voordeurbel en stapten mijn eerste bezoekers van die dag naar binnen, 4 man sterk, althans een dame en twee heren van midelbare leeftijd, vergezeld van een jongeman in de puberleeftijd.
Nadat mijn bezoekers wat onwennig hadden rondgekeken naar de diverse opgestelde gedenkstenen en tevens een keurende blik te hebben geworpen op de bijbehorende ornamenten van mijn métier, richtte zich de dame tot mij, als had zij mij eerst nu opgemerkt.
'We komen even kijken naar een steentje voor onze zus, mevrouw Lucht' zei ze, zich omdraaiend naar de beide oudere heren, als om steun. 'Ja' beaamde de heer, die ik al had bestempeld als de oudste, waarschijnlijk broer van de drie (ik nam aan dat de jongeman óf de zoon van één van de volwassenen óf van de overleden zuster was).
'Ja, ja' herhaalde hij voor de zekerheid, of om zich een houding te geven in deze - voor hem vreemde en misschien wel vijandige - omgeving.
'We weten eigenlijk al wat het moet worden' ging hij voort 'maarre……'. Hier stopte hij en leek merkwaardig opgelaten met de situatie.
De zuster (nam ik maar aan) zag zijn verlegenheid en nam het weer van hem over. 'We hebben namelijk al gehoord dat er alleen een klein plat steentje op het graf mag'. Ze gaf mij ten bewijze van haar woorden een stapeltje papieren, alsof ik dan direct zou weten dat ze de waarheid sprak. 'Maarre……..'. Ook zij viel stil en ik voelde aan, dat - wat er dan ook ongezegd bleef - het gezelschap problemen bezorgde.
Gelukkig ken ik voor zulke pijnlijke stiltes een probaat wondermiddel: ik loods mijn klanten naar de spreekkamer en schenk KOFFIE in! Succes verzekerd, zo ook nu. De dame en de heren gaven elkaar de suiker en de melk door en raakten door deze sociale handelingen duidelijk meer op hun gemak (de puber had ik voorzien van een glas cola uit de koelkast, een versnapering die deze mensensoort immer tot tevredenheid stemt).
Intussen gaf dit mij de gelegenheid de aan mij overhandigde papieren in te zien en ik kon inderdaad vaststellen, dat voor de grafruimte in kwestie door de betreffende begraafplaats slechts een kleine gedenksteen van een vastgesteld formaat was toegestaan. Ik zag de naam van de overledene, die mij op dat moment niet frappeerde en haar geboorte- en overlijdensdatum. Mevrouw was slechts 42 jaar geworden, jong nog, maar misschien zou ik nog horen waarom zij zo jong was overleden.
Aangezien door de koffieceremonie het ijs tussen mijn klanten en mij op bevredigende wijze was gebroken kon ik de kwestie van de uit te kiezen steensoort aansnijden en de komende twintig minuten werden hieraan besteed. Tot op dit moment was de bespreking vlotjes verlopen, weinig verschillend van de meeste van mijn verkoopgesprekken, maar toen de aan te brengen inscriptie moest worden vastgesteld,
hervoelde ik weer de ongemakkelijke sfeer, die in de showroom had gehangen.
Ik kon niet ontdekken wat de oorzaak hiervan was, maar zag uit mijn ooghoek dat de puber een rood gezicht kreeg en om zich heen begon te kijken als in het nauw gedreven wild. Om hem een beetje te helpen zei ik hem, dat hij best eens rond mocht kijken in de showroom als hij dat wilde en hij wist niet hoe snel hij op dat voorstel moest ingaan.
Overgebleven met de volwassenen besloot ik enige drang uit te oefenen. 'De overledene is uw zuster, hè' probeerde ik mijn gezelschap te bewegen tot een reactie waar ik wat meer mee kon.
'Ja en ze was niet getrouwd'. De andere broer mengde zich voor het eerst in het gesprek. Ik keek snel nog even naar de papieren van de begraafplaats en zag inderdaad slechts de naam "Lucht" als familienaam staan.
Ik begon - gewoontegetrouw - alvast een voorbeeldtekst op mijn blocnote te schrijven en zag de dame tersluiks meekijken.
'Ja, dat "lieve zuster" moet er sowieso bij' zei ze. 'Mag zelfs "innig geliefde zuster" zijn, alleen weten we niet hoe...…de voorletters.…'. Haar stem stierf weg en ze keek hulpzoekend naar haar broers, die op hun beurt vragend naar mij keken.
Plotseling begreep ik hun dilemma. Waar ik eerst geen belang aan had gehecht zag ik nu heel duidelijk. De voorletters van de overledene waren W.C., iets wat ik in eerste instantie wel had gezien maar mij verder niet op gedachten had gebracht. In kombinatie met haar achternaam echter….tja….!
Maar als je niet voortdurend en - misschien in het geval van mijn bezoek, al geruime tijd - met een probleem worstelt kan een neutraal iemand (zoals ik op dat moment) voor een sublieme en in feite voor de hand liggende oplossing zorgen.
'Waar staat de W eigenlijk voor bij uw zuster' begon ik. Driestemmig klonk het antwoord: 'Willeke!'
Ik voltooide daarop mijn voorgestelde tekst, draaide het papier naar de familie en spreidde mijn handen, in het besef dat ik niets meer hoefde te zeggen.
Het is uiteindelijk een mooi gedenksteentje geworden van Orion graniet, met zilverkleurige letters en met de trotse naam: Willeke C. Lucht.




Reacties