herinneringen (3)
Herinneringen van een verkoper van grafmonumenten (3)
Mijn bezoeker die middag was een heer met kennelijke haast.
Hij duwde de voordeur met kracht open, smeet hem achter zich weer dicht en zonder naar de opgestelde gedenkstenen te kijken kwam hij direct op mij af.
Ik was op dat moment net bezig om de koffiekopjes van mijn vorige bezoekers op te ruimen en griste snel de bij die afgesloten transactie behorende papieren bij elkaar, want dat is in de loop de jaren een soort tweede natuur van mij geworden. Ik heb n.l. liever niet, dat "vreemden" inzage krijgen in de zaken van andere mensen, die mij in feite vertrouwelijke informatie hebben verstrekt.
Deze heer had daarvoor echter totaal geen belangstelling. 'Ik mot een prijsopgave van je hebben en als het effe kan vanmiddag nog, want ik mot naar de notaris!', werd mij toegevoegd als was ik een oude schoolkameraad. 'We motte wel naar de begraafplaats, want daar staat een steen die ik weer netjes wil hebbe', vervolgde hij, half van mij wegdraaiend, alsof hij verwachtte, dat ik direct met hem vertrok.
Nu vind ik het altijd leuk om op een begraafplaats rond te lopen, iets wat niet iedereen als een vrolijke tijdpassering zal zien, maar met die belangstelling ben ik nu eenmaal behept en - waar ik ook ben, in binnen- of buitenland - ik probeer toch altijd even een bezoek aan de dichtstbijzijnde begraafplaats te brengen. Ik kijk dan naar de gebezigde modellen, de aangebrachte teksten, de materiaalsoort en niet zelden kom ik dan ook nog op ideëen om in het bedrijf waar ik werk toe te passen.
Veel drang hoefde mijn bezoeker dus niet op mij uit te oefenen, want ik had verder geen afspraken en het leek aangenaam weer te zijn; dus na de noodzakelijke handelingen verricht te hebben om eventueel nog langskomende klanten naar een later tijdstip te verwijzen en het bij mij steken van mijn "gereedschap" stapte ik bij mijn bezoeker in de auto.
We bleken te moeten zijn op een begraafplaats aan de andere kant van de stad, een plek die ik altijd
wel fijn heb gevonden om te bezoeken, want ik krijg daar een gevoel van rust en - noem het maar- vrede, als ik daar het hek passeer.
Na een wandeling van zo'n tien minuten, bleef mijn klant staan voor een grafmonument, dat bij de plaatsing (ongeveer veertig jaar geleden, kon ik uit de gegraveerde overlijdensdatum van de enige vermelde naam opmaken) heel mooi moest zijn geweest. Nu zag een en ander er zeer verwaarloosd en vuil uit, de steen was daarbij sterk verweerd en de tekst voor een deel vervaagd, mos en onkruid versterkten die indruk nog en ik was benieuwd wat mijn bezoeker voor ogen had.
'Hier legge me tante en nu ook me oom' begon de heer K. (hij had mij inmiddels verteld hoe hij heette). 'En ik ga zorge, dat ze d'r weer mooi bijlegge', vervolgde hij op twistzieke toon, alsof ik net te kennen had gegeven, dat ik daar beslist niet aan wilde meewerken.
Ik haastte mij natuurlijk te zeggen, dat ik hem daar juist graag in terzijde zou willen staan, maar nu bleek waarom zijn zojuist geuite vaste voornemen eigenlijk indruiste tegen zijn principes.
'Ik zelf geloof dus helemáál niet in die poppekast' legde K. uit, 'al die graven die dan op die dag (hij bedoelde kennelijk de dag des oordeels) open gaan en al die mensen die dan weer tevoorschijn floepe. Onzin volges mij! Als je dood ben, bejje dood'. Hij maakte een hakkend gebaar en kwam toen waarschijnlijk tot de conclusie, dat ik mij wel zou afvragen, wat we dan überhaupt hier deden, want hij keek een beetje schaapachtig en schuins naar me en besloot: 'maar ze zijn altijd hartstikke goed voor me gewees, dus…….', het aan mij overlatend daaruit mijn konklusies te trekken.
Ik gaf hem daarop mijn mening over wat er mijns inziens aan het graf zou moeten gebeuren om het geheel naar zijn zin te restaureren en met welke kosten hij rekening zou moeten houden. De heer K. had met dit alles geen probleem en we spraken af dat ik hem bij terugkeer in mijn kantoor een pro forma-nota
t.b.v. de notaris zou verstrekken, hetgeen geschiedde.
Bij zijn afscheid draaide hij zich echter bij de deur ineens om en vroeg mij, me recht in de ogen kijkend: 'En hoe denk ú hier nou over, heer? ' (ineens was het u en heer). 'Ik bedoel eh…over doodgaan en zo…'.
Ik begreep dat hij doelde op zijn besliste opmerkingen bij het graf van zijn oom en tante, die misschien toch niet helemaal door vaste overtuiging waren ingegeven en - toch wat onverhoeds met deze vraag gekonfronteerd en daardoor uitkomend voor mijn persoonlijke mening, die ik meestal liever voor me houd - zei ik: 'Dat van die openklappende graven zie ik ook niet zo, maar wél ben ik van mening, dat ieder mens in het bezit is van, noem het maar een ziel, een soort bewustzijn van goed en kwaad, en dat dat, die ziel dus, niet ophoudt te bestaan als ons lichaam sterft, maar ofwel een nieuw lichaam toegewezen krijgt of in een andere dimensie terechtkomt of iets dergelijks. Ik weet het niet en volgens mij weet niemand dat, want het enige dat wij - kleine mensjes - eigenlijk zeker weten, is dat wij helemaal NIETS weten! Maar "dood is dood", dus wat ú zei meneer K., geldt volgens mij alleen voor het stoffelijk omhulsel, zoals dat zo mooi heet en zijn naar mijn overtuiging de zielen van uw oom en tante er nog altijd.
Ik smaakte daarop het intense genoegen, dat mijn klant geheel anders vertrok dan dat hij gekomen was: hij greep mijn hand, drukte die zeer stevig, zeggende: ' Nou, bedank hè!'.
Mijn bezoeker die middag was een heer met kennelijke haast.
Hij duwde de voordeur met kracht open, smeet hem achter zich weer dicht en zonder naar de opgestelde gedenkstenen te kijken kwam hij direct op mij af.
Ik was op dat moment net bezig om de koffiekopjes van mijn vorige bezoekers op te ruimen en griste snel de bij die afgesloten transactie behorende papieren bij elkaar, want dat is in de loop de jaren een soort tweede natuur van mij geworden. Ik heb n.l. liever niet, dat "vreemden" inzage krijgen in de zaken van andere mensen, die mij in feite vertrouwelijke informatie hebben verstrekt.
Deze heer had daarvoor echter totaal geen belangstelling. 'Ik mot een prijsopgave van je hebben en als het effe kan vanmiddag nog, want ik mot naar de notaris!', werd mij toegevoegd als was ik een oude schoolkameraad. 'We motte wel naar de begraafplaats, want daar staat een steen die ik weer netjes wil hebbe', vervolgde hij, half van mij wegdraaiend, alsof hij verwachtte, dat ik direct met hem vertrok.
Nu vind ik het altijd leuk om op een begraafplaats rond te lopen, iets wat niet iedereen als een vrolijke tijdpassering zal zien, maar met die belangstelling ben ik nu eenmaal behept en - waar ik ook ben, in binnen- of buitenland - ik probeer toch altijd even een bezoek aan de dichtstbijzijnde begraafplaats te brengen. Ik kijk dan naar de gebezigde modellen, de aangebrachte teksten, de materiaalsoort en niet zelden kom ik dan ook nog op ideëen om in het bedrijf waar ik werk toe te passen.
Veel drang hoefde mijn bezoeker dus niet op mij uit te oefenen, want ik had verder geen afspraken en het leek aangenaam weer te zijn; dus na de noodzakelijke handelingen verricht te hebben om eventueel nog langskomende klanten naar een later tijdstip te verwijzen en het bij mij steken van mijn "gereedschap" stapte ik bij mijn bezoeker in de auto.
We bleken te moeten zijn op een begraafplaats aan de andere kant van de stad, een plek die ik altijd
wel fijn heb gevonden om te bezoeken, want ik krijg daar een gevoel van rust en - noem het maar- vrede, als ik daar het hek passeer.
Na een wandeling van zo'n tien minuten, bleef mijn klant staan voor een grafmonument, dat bij de plaatsing (ongeveer veertig jaar geleden, kon ik uit de gegraveerde overlijdensdatum van de enige vermelde naam opmaken) heel mooi moest zijn geweest. Nu zag een en ander er zeer verwaarloosd en vuil uit, de steen was daarbij sterk verweerd en de tekst voor een deel vervaagd, mos en onkruid versterkten die indruk nog en ik was benieuwd wat mijn bezoeker voor ogen had.
'Hier legge me tante en nu ook me oom' begon de heer K. (hij had mij inmiddels verteld hoe hij heette). 'En ik ga zorge, dat ze d'r weer mooi bijlegge', vervolgde hij op twistzieke toon, alsof ik net te kennen had gegeven, dat ik daar beslist niet aan wilde meewerken.
Ik haastte mij natuurlijk te zeggen, dat ik hem daar juist graag in terzijde zou willen staan, maar nu bleek waarom zijn zojuist geuite vaste voornemen eigenlijk indruiste tegen zijn principes.
'Ik zelf geloof dus helemáál niet in die poppekast' legde K. uit, 'al die graven die dan op die dag (hij bedoelde kennelijk de dag des oordeels) open gaan en al die mensen die dan weer tevoorschijn floepe. Onzin volges mij! Als je dood ben, bejje dood'. Hij maakte een hakkend gebaar en kwam toen waarschijnlijk tot de conclusie, dat ik mij wel zou afvragen, wat we dan überhaupt hier deden, want hij keek een beetje schaapachtig en schuins naar me en besloot: 'maar ze zijn altijd hartstikke goed voor me gewees, dus…….', het aan mij overlatend daaruit mijn konklusies te trekken.
Ik gaf hem daarop mijn mening over wat er mijns inziens aan het graf zou moeten gebeuren om het geheel naar zijn zin te restaureren en met welke kosten hij rekening zou moeten houden. De heer K. had met dit alles geen probleem en we spraken af dat ik hem bij terugkeer in mijn kantoor een pro forma-nota
t.b.v. de notaris zou verstrekken, hetgeen geschiedde.
Bij zijn afscheid draaide hij zich echter bij de deur ineens om en vroeg mij, me recht in de ogen kijkend: 'En hoe denk ú hier nou over, heer? ' (ineens was het u en heer). 'Ik bedoel eh…over doodgaan en zo…'.
Ik begreep dat hij doelde op zijn besliste opmerkingen bij het graf van zijn oom en tante, die misschien toch niet helemaal door vaste overtuiging waren ingegeven en - toch wat onverhoeds met deze vraag gekonfronteerd en daardoor uitkomend voor mijn persoonlijke mening, die ik meestal liever voor me houd - zei ik: 'Dat van die openklappende graven zie ik ook niet zo, maar wél ben ik van mening, dat ieder mens in het bezit is van, noem het maar een ziel, een soort bewustzijn van goed en kwaad, en dat dat, die ziel dus, niet ophoudt te bestaan als ons lichaam sterft, maar ofwel een nieuw lichaam toegewezen krijgt of in een andere dimensie terechtkomt of iets dergelijks. Ik weet het niet en volgens mij weet niemand dat, want het enige dat wij - kleine mensjes - eigenlijk zeker weten, is dat wij helemaal NIETS weten! Maar "dood is dood", dus wat ú zei meneer K., geldt volgens mij alleen voor het stoffelijk omhulsel, zoals dat zo mooi heet en zijn naar mijn overtuiging de zielen van uw oom en tante er nog altijd.
Ik smaakte daarop het intense genoegen, dat mijn klant geheel anders vertrok dan dat hij gekomen was: hij greep mijn hand, drukte die zeer stevig, zeggende: ' Nou, bedank hè!'.
-
Geplaatst:over 2 jaren geleden, populair sinds over 2 jaren (in 3 uur)
-
Door:
-
Groep:
-
-
Discussie:
reiny-leek
04-05-2010 om 21:16
bedankt voor dit verhaal.
reactie
tombstone
04-05-2010 om 21:40
graag gedaan!
reactie
Reageren op dit artikel? Log in of registreer jezelf
Waarom eKudos gebruiken
- Deel en ontdek nieuws, video’s, foto’s en tips
- Schrijf en plaats nieuws dat jij belangrijk vindt
- Start een vriendennetwerk
- Stem! Op ekudos is heel Nederland de redactie
- Geef je mening en start discussies
- Volg het nieuws van vrienden en bekenden
- Start een weblog met gelijk een groot publiek
- Ontdek het leukste en beste nieuws van het web

